- Trouw 9 november 2011
- Oordeel:

- Recensent: Anita Twaalfhoven
Pijn in de buik van het lachen

Toneelschap B&D maakt van humor zijn handelsmerk en steekt klassieke slapstick en clowntrucs in een nieuw jasje.
Met het geluid van zoemende muggen op de achtergrond lopen twee voorovergebogen mannen met sikjes traag in het rond. Een opgewonden ventje met een grote hoed probeert deze “geiten” tevergeefs met een stok naar de stal te drijven. Het eindigt met een opgewonden tirade in fantasie-spaans. Het lijkt een scène uit een tekenfilm en het is zo goed getimed en geacteerd dat de kinderen – en ook het premièrepubliek vol bekende theaterprofessionals – pijn in hun buik van het lachen krijgen.
In de behoefte om het jonge publiek serieus te nemen en jeugdtheater niet kinderachtig te maken, slaat de balans soms door naar zwaarmoedige voorstellingen. Lachen, gieren, brullen lijkt eigenlijk not done in het gesubsidieerde jeugdtheater; dat past beter bij Kabouter Plop, is het idee. Maar het Toneelschap B&D maakt hiervan juist zijn handelsmerk en steekt klassieke slapstick en clowntrucs in een nieuw jasje.
Aan het begin denken de drie acteurs in “Meneer Hummeling gaat op reis” bij voorbaat de lachers op hun hand te hebben, waardoor het soms net niet grappig is. Maar dat euvel is snel overwonnen, want het drietal is onweerstaanbaar. Twee vormelijke burgermannen gaan in keurig pak op vakantie en vallen door de mand als onhandige angsthazen. De een, Peter Drost, is zó nerveus dat het plastic zakje om in en uit te ademen een vaste prothese lijkt. De andere, Loek Beumer, is nauwelijks in beweging te krijgen maar zijn subtiele mimiek – vooral de achterdochtige oogbewegingen – spreekt boekdelen. De derde acteur, René van ’t Hof, steelt de show als Spaanse ober, geitenhoeder en badmintonleraar. Hij is zó grappig dat je haast niet kunt wachten tot hij weer opkomt.
Het verhaal gaat nergens over: een vakantie in een hotel aan het strand en wat ontspannende activiteiten om de tijd te doden. Maar dat doet er ook niet toe: het is een aanleiding om in te zoomen op herkenbare tekortkomingen van mensen en die stevig uit te vergroten. Zodat de zaal zichzelf of de buren in de lachspiegel ziet.
Het draait dus om de verkleedscène op het strand, de manier waarop de mannen elkaar aftroeven of de act met de badmintonleraar die op zoek naar zijn shuttle van het dak valt. In een klassieke slapstickact is René van ’t Hof een verdwaasde badgast die overal over struikelt en tegenaan botst. Peter Drost doet door de micofoon gewichtig en gedetailleerd verslag van zijn bewegingen, alsof het om een topsporter tijdens de Olympische Spelen gaat. “Dat is even jammer”, zegt de commentator met gedempte stem. “Maar een man van zijn kaliber zet zich snel weer op de rails”. Opgewonden: “Daar gáát hij!”
Ook de act van de obers die met geluidseffecten het maken van de perfecte cocktail mimen is minutieus getimed. Zodat ook de onzichtbare kers – of is het een olijf? – die van grote afstand in het glas wordt gemikt, op het juiste moment ‘splash!’ laat horen.
Aan het slot is de vakantie afgelopenen is ook het publiek evenop vakantie geweest.

